Outgaarden - Tekst

Volkslied van Outgaarden

Ode aan mijn dorp

 

 

Er was eens een Waalse gemeente,
Met als burgemeester een graaf.
En die edelman zijne bevelen,
Voldeden die burgers heel braaf.
Die gemeente was nogal gespreide,
En vergroot door een Vlaamsch gehucht.

Maar toen in die vroegere tijden,

Werd daar dan meermalen gezucht:

 

Ref.:   Waar-om toch moeten wij, altijd steeds weer naar die Walen, 

            Waar-om toch moeten wij, daar elk papiertje gaan halen. 

Zijn wij samen niet machtig genoeg, om op ons eigen te gaan,
‘n Vlaamse gemeente willen wij zijn, met eigen besturen voortaan
. 

 

De naam van die Waalse gemeente,

Was Commune de Zétrud-Lumay.
En de naam van dat Vlaamse gehuchtje,

‘Outchard’ comme les Wallons disaient.

’t Was naar de ‘maison communale’,

Dat die Vlamingen toen moesten gaan.

En vaak zuchtten zij met zen allen,

Mochten wij op ons eigen toch gaan.

 

Negentien honderd twee en twintig,
Was ’t jaar dat hun droom werd volbracht.

En ‘Outchard’ dat werd toen ‘Outgaarden’,

Zij hadden er zo naar getracht.
Te Outgaarden moest men dan stemmen,

‘t Ging om een gemeentebestuur.
Al stonden zij toen voor veel zorgen,
Zij waren zo blij in dit uur.

 

Want nu moesten zij voor dat alles,

Niet meer op weg naar al die Walen.

Ach neen nu moesten zij aldaar,

Geen enkel papier meer gaan halen.
Zij waren nu machtig genoeg,

Om op eigen benen te staan.

‘n Vlaams dorpje met eigen bestuur,

Daar woonden zij samen voortaan.

 

De voorplaats van het grote ‘schoolhuis’,

Dat werd dan het eerste lokaal.
Waar men ons paartjes dan trouwde,

Maar nu was ’t in Vlaams allemaal.

Men schreef toen niet meer bij geboortens,

‘Enfant né à Zétrud-Lumay’.

Maar elk kind was van toen al een burger,

Van Outgaarden... ça c’était vrai.

 

Langzaam ging Outgaarden nu bloeien,

Nieuwe wegen werden gelegd.
’t Is niet meer het vroegere ‘manskot’,

Lijk toen al eens werd gezegd.

Er kwamen mooi nieuwe gebouwen,

Van school en gemeentehuis.

Gedaan met te ‘Lummen’ te trouwen,

Ons paartjes die doen het nu ‘thuis’.

 

Outgaardiers waren fier op hun dorpje,

Dan ook als gemeente geteld.
Zo verliepen er vijftiger jaren,
Helaas nu wordt weer eens verteld,

Dat alles weer eens gaat verand’ren.
Outgaarden niet meer zal bestaan.

‘Men’ sluit ons weer aan op een ander,

Ons gemeente heeft weer afgedaan.

 

Want nu moeten wij alom weder,

Nu moeten wij weer fusioneren.
En dan worden wij Hoegaardiers,

Groot-Hoegaardiers ja zonder meere.

Want Outgaarden ruimt weer de baan,

Al was het zo fier op zijn naam.

Niet als ‘Lummen’ maar als Hoegaardier,
Staan wij nu op dat formulier.